Huurcontract en franchiseovereenkomst

Franchisenemer huurt van franchisegever

Het komt regelmatig voor dat er tussen franchisegever en franchisenemer niet alleen een franchiseovereenkomst wordt gesloten, maar ook een huurovereenkomst. Franchisenemer huurt dan van franchisegever een bedrijfsruimte om zijn onderneming te kunnen exploiteren.

De franchisenemer huurt van de franchisegever een bedrijfsruimte

 

De franchiseovereenkomst en de huurovereenkomst

Partijen sluiten in een situatie zoals hierboven omschreven, hetzij twee overeenkomsten (franchiseovereenkomst en huurovereenkomst), hetzij één allesomvattende overeenkomst met bepalingen betreffende de huur- en franchiseverhouding. Dit kan ingrijpende gevolgen hebben, aangezien de (semi-)dwingende wettelijke bepalingen met betrekking tot de huur van bedrijfsruimte van toepassing kunnen zijn. Met name bij beëindiging van de franchiseovereenkomst kan dit voor grote conflicten zorgen.

Tip voor uw huurcontract en franchiseovereenkomst

Het is voor zowel franchisenemer als franchisegever van groot belang om vooraf te bepalen wat de voor- en nadelen kunnen zijn van het samenlopen van de franchise- en huurovereenkomst. Uit de rechtspraak is gebleken dat het geregeld fout gaat en dat de complexiteit wordt onderschat.

Laat uw franchiseovereenkomst/huurovereenkomst altijd controleren door een professional, zodat problemen voorkomen kunnen worden.

Huurrecht van toepassing

Huurders van 290-bedrijfsruimte (winkelruimte) worden vergaand beschermd door afdeling 7.4.6 BW. Of deze bepalingen van toepassing zijn op de franchiseverhouding hangt af van verschillende omstandigheden.

Wanneer franchisenemer en franchisegever de huurverhouding en de franchiseverhouding hebben geregeld in één overeenkomst/akte, is er sprake van een gemengde overeenkomst. Het huurrecht (afdeling 7.4.6) is dan van toepassing op de gehele overeenkomst.

Hebben partijen echter twee losse overeenkomsten gesloten, dan kan de situatie zich voordoen dat franchiseovereenkomst en de huurovereenkomst niet tegelijkertijd eindigen. Er kunnen dan verschillende problemen ontstaan. Zo zal de franchisenemer bij het einde van de franchiseovereenkomst, zonder einde van de huurovereenkomst, vanwege het non-concurrentiebeding weinig tot geen mogelijkheden hebben voor het gebruik van het gehuurde. Maar ook voor de franchisegever kan dit een vervelende situatie opleveren. Hij zal de bedrijfsruimte wellicht zelf willen gebruiken of aan een (nieuwe) franchisenemer willen verhuren. Daarnaast zal een franchisegever willen vermijden dat een concurrerend bedrijf het pand gaat gebruiken.

Goedkeuring “afwijkend beding”

Het niet gelijktijdig eindigen van de franchiseovereenkomst en de huurovereenkomst kan worden voorkomen door een afwijkend beding op te nemen dat regelt dat beide overeenkomsten tegelijkertijd eindigen. Een dergelijk beding dient wel, indien het in strijd is met de wettelijke bepalingen in het huurrecht, voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst, te worden goedgekeurd door de rechter. Art. 7:291 lid 3 BW geeft twee gronden voor goedkeuring van een afwijkend beding (een beding dat ten nadele van de huurder afwijkt van afdeling 7.4.6 en aldus in beginsel vernietigbaar is). De goedkeuring kan slechts worden gegeven indien:

  1. De rechten die de huurder ontleent aan afdeling 7.4.6 BW niet wezenlijk worden aangetast; of
  2. De maatschappelijke positie van de huurder in vergelijking met die van de verhuurder zodanig is dat de huurder de bescherming van afdeling 7.4.6 BW in redelijkheid niet behoeft.

Bij de goedkeuring van zo’n afwijkend beding kunnen verschillende factoren een rol spelen. Zo kan onder andere van belang zijn of het beding zorgt voor rechtszekerheid, of op een andere wijze compensatie wordt geboden in de overeenkomst en hoe het is gesteld met de rechtspositie van franchisenemer.

Een afspraak maken